DEEL 1: INTRODUCTIE

DEEL 1: INTRODUCTIE

Inhoud

DEEL 1 : INTRODUCTIE
ALGEMEEN
HOOFDSTUK1-1DOELSTELLINGEN
HOOFDSTUK1-2UNIFORME INDELINGEN
1-2.1Kostensoorten
1-2.2Kostenplaatsen
1-2.3Bewerkingen
1-2.4Deelorders
HOOFDSTUK1-3HET CALCULATIESYSTEEM
1-3.1Directe en indirecte kosten
1-3.2Te onderscheiden calculatietarieven
1-3.3Berekening calculatietarieven
1-3.4Vorm kostenbegroting
1-3.5Calculatieformulier nieuwbouworders
HOOFDSTUK1-4RESULTAATANALYSE, BUDGETTERING, VERSLAGLEGGING
1-4.1Budgettering
1-4.2Verslaglegging
1-4.3Administratieve verwerking
HOOFDSTUK1-5FASEGEWIJZE INVOERING
1-5.1Geleidelijke invoering
1-5.2Invoeringsfasen

ALGEMEEN

Dit losbladige boekwerk omvat per verschijningsdatum de richtlijnen, die door de S.N.S.I. in 1968 en 1969 successievelijk onder de nummers I t/m XVII aan haar leden zijn toegezonden. Zonder de strekking van reeds van kracht zijnde richtlijnen aan te tasten is de inhoud daarvan ter wille van de duidelijkheid grotendeels herschreven en aangevuld met toelichtingen. Een meer systematische indeling dan bij de volgtijdelijke publicatie van de richtlijnen mogelijk was, beoogt verder de toegankelijkheid bij het gebruik in de praktijk te bevorderen. Deze uitgave treedt dan ook in de plaats van de eerder verschenen richtlijnen van de S.N.S.I.

Indeling en verwijzingen

Zoals uit de inhoudsopgave blijkt, is de behandelde stof gesplitst in delen en ieder deel in genummerde hoofdstukken en paragrafen. Onderverdelingen binnen een paragraaf zijn aangeduid door naar links uitspringende (ongenummerde) regels. Deze uitgave is losbladig uitgevoerd, teneinde toekomstige aanvullingen met hoofdstukken of vervanging van pagina's op eenvoudige wijze mogelijk te maken. Met het oog hierop zijn verder de pagina's per hoofdstuk steeds opnieuw vanaf 1 genummerd (rechts onderaan). Onderlinge verwijzingen in de tekst zijn aangeduid met het nummer van het betreffende deel, het hoofdstuk en de paragraaf. Voorbeeld: 6-4.5 betekent deel 6 hoofdstuk 4 paragraaf 5

Vereenvoudigingen ten aanzien van de kleinere werf

Voor de kleinere werven gelden afzonderlijke richtlijnen. In de delen 2 tot en met 10 van deze verzamelde richtlijnen is aan de kleinere werven slechts in geringe mate aandacht besteed. Het kennisnemen van deze richtlijnen is niettemin ook voor deze bedrijven van belang. Dit geldt zeker voor die werven welke naar verwachting zodanig in omvang zullen gaan toenemen, dat de onderhavige richtlijnen van kracht zullen kunnen worden.

Introductie

In de volgende hoofdstukken wordt onder andere een beknopt overzicht gegeven van de verschillende onderwerpen die in de delen 2 t/m 10 achtereenvolgens aan de orde komen, te weten:

• uniforme indelingen (van kostensoorten en kostenplaatsen, bewerkingen en deelorders);

• het calculatiesysteem;

• resultatenanalyse, budgettering en verslaglegging.

HOOFDSTUK 1 - 1 DOELSTELLINGEN

Met het geven van richtlijnen en adviezen voor een uniforme administratie voor de nederlandse scheepsbouwindustrie, tracht de Stichting de volgende doelstellingen te realiseren. Verbetering van de administratie tot een adequaat beleidsinstrument bij werven, die op dit punt tot dusverre ten achter zijn gebleven Hiertoe is de meeste aandacht besteed aan het calculatiesysteem. Bij vele werven immers worden de kosten nog niet op de juiste wijze aan de orders belast, onder meer door een te globale toerekening van de indirecte kosten. Dit is in het bijzonder van belang voor werven, welke in meerdere sectoren opereren (nieuwbouw, reparatie, werktuigbouw), maar ook indien bij een werf de orders binnen een bepaalde sector van zeer verschillende aard zijn. De richtlijnen beogen tevens een verbetering van de door de administratie verschafte informatie ter ondersteuning van het beleid; resultatenanalyse, bedrijfsbegroting en - bewaking.

Uniformering van de administraties

In de scheepsbouw wordt de samenwerking tussen de bedrijven steeds intensiever, zowel integraal als op een meer beperkt terrein. Toepassing van de richtlijnen effent het pad voor het overleg over en de realisatie van samenwerkingsvormen, onder meer doordat op gelijke basis vastgestelde calculatiegegevens en rentabiliteitsgegevens kunnen worden uitgewisseld. In dit verband wordt gewezen op het belang van bedrijfsvergelijkingen, waarbij de Stichting t.a.v. het daaruit te verkrijgen materiaal voor de informatie binnen de bedrijfstak een belangrijke taak zal kunnen vervullen. Ook tegenover de overheid is een uniforme administratie van belang, omdat daaruit als bedrijfstak gegevens kunnen worden verschaft die voor een evaluatie van het overheidsbeleid t.a.v. de scheepsbouwindustrie nuttig kunnen zijn.


HOOFDSTUK 1-2 UNIFORME INDELINGEN

De beoogde verbetering van de interne informatieverschaffing is alleen te realiseren bij een op dat doel afgestemde administratie. Een doelmatige rubricering van kosten en opbrengsten en kwantitatieve gegevens (zoals uren) naar meerdere gezichtspunten is hiervan een onmisbaar facet. De eerste vier delen van deze richtlijnen (2 t/m 5) zijn daarom gewijd aan de indeling naar respectievelijk kostensoorten, kostenplaatsen, bewerkingen en deelorders. Om de uniformiteit en daarmede de onderlinge vergelijkbaarheid te bevorderen, zijn op deze terreinen de codecijfers bindend voorgeschreven.

1-2.1 Kostensoorten (deel 2)

De kostensoorten hebben betrekking op de aard van de kosten (lonen en salarissen; sociale lasten, overige personeelskosten, direct op orders te verantwoorden materialen enz.). De uniforme codering van de kostensoorten is vooral van belang voor het op gelijke wijze verantwoorden van de indirecte kosten. Zij is echter ook van toepassing op de registratie van de rechtstreeks ten laste van de orders gebrachte kosten. Voor de kostensoorten is een code van 3 cijfers ontworpen, waarvan de eerste twee cijfers bindend zijn voorgeschreven. Het gebruik van het derde cijfer is facultatief gesteld. Indien echter een derde cijfer wordt gebruikt, wordt het betrokken codecijfer uit deze richtlijnen met klem aanbevolen.

1-2.2 Kostenplaatsen (deel 3)

Voor de werven welke in meerdere sectoren (nieuwbouw, reparatie enz.) werkzaam zijn, en waarbij deze sectoren een duidelijke weerspiegeling vinden in de organisatie, geldt voor de kostenplaatsen een code van 3 cijfers (zie 3-2.5 en 3-2.6). Het eerste cijfer heeft hierbij betrekking op de sector. (Bij ondernemingen met meerdere vestigingen wordt dit cijfer nog voorafgegaan door een vierde cijfer, dat de vestiging aangeeft). Voor kostenplaatsen, welke niet tot een bepaalde sector behoren, geldt het cijfer O als "sector"-code. Van het tweede codecijfer is O t/m 4 bestemd voor algemene kostenplaatsen en 5 t/m 9 voor productiekostenplaatsen. Voor de algemene kostenplaatsen geldt daarbij voor alle sectoren dezelfde code. Voor productiekostenplaatsen is de code uiteraard per sector verschillend. Het tweede codecijfer geeft hierbij een bepaalde afdeling aan (zoals bijv. "voormontage"), het derde cijfer betreft de subkostenplaats en duidt meestal een indeling naar de soort van werkzaamheden (bijv. "lassen") aan. Bedrijven, die op één terrein werkzaam zijn, respectievelijk daarnaast ook andere activiteiten verrichten doch organisatorisch vanuit bijvoorbeeld een nieuwbouworganisatie, hebben uiteraard geen behoefte aan een codecijfer dat de bedrijfssector aangeeft. Zij kunnen volstaan met een 2-cijfercode (zie 3-3.4 en 3-3.5). Bedrijven die zowel nieuwbouw- als reparatiewerkzaamheden verrichten, maar waarbij deze activiteiten niet of slechts gedeeltelijk in de productie-organisatie tot uitdrukking komen, kunnen, na specifieke goedkeuring door de Stichting, de 2-cijfercode van 3-4.2 toepassen. Het tweede codecijfer van de productiekostenplaatsen geeft daarbij niet een bepaalde afdeling aan, maar de soort bewerking (ijzerwerk, branden en lassen enz.).

1-2.3 Bewerkingen (deel 4)

Voor de productiekostenplaatsen geeft het laatste cijfer van de 3-cijfercode het soort werk aan. Bedrijven die behoefte hebben aan een verdergaande specificatie, kunnen in plaats van dit laatste codecijfer, de in deel 4 opgenomen bewerkingscode gebruiken. In dat geval is de 2-cijfercode van 4-2 bindend voorgeschreven. Deze is evenwel naar keuze nog uit te breiden met een derde cijfer, waartoe de 3-cijfercode van 4-3 wordt aanbevolen. Het doel van de indeling naar soorten van bewerkingen is niet alleen een nadere detaillering te geven van de kostenplaatsen. De uniforme indeling naar gelijksoortige bewerkingen (in welke afdeling dan ook verricht) is ook bestemd voor andere doeleinden, zoals planning, werkvoorbereiding en eventueel productiebesturing. Het onderscheid in directe bewerkingen die wel, en indirecte bewerkingen, die niet ten laste van orders kunnen komen, speelt verder een belangrijke rol bij de tijdverantwoording en vormt één van de peilers voor het bereiken van uniformiteit in het calculatie systeem.

1-2.4 Deelorders (deel 5)

Om een vergelijking van ordercalculaties van nieuwbouwprojecten mogelijk te maken, is de in 5-1 opgenomen uniforme indeling naar deelorders bindend voorgeschreven. De deelorderspecificatie is bedoeld om de verouderde Cebosine-indeling te vervangen. De voorgeschreven 2-cijfercode is desgewenst te verlengen met een derde cijfer, waarbij de 3-cijfercode van 5-2 dringend wordt aanbevolen.


HOOFDSTUK 1 - 3 HET CALCULATIESYSTEEM DELEN 6 EN 7

Ten aanzien van de calculatie van de indirecte kosten wordt het nog veel gebruikte systeem van toeslagcalculatie (bijv. één of meer procentuele toeslagen voor "algemene kosten" op de directe lonen) afgewezen. Het in deze richtlijnen voorgeschreven systeem van integrale kost prijstarieven houdt in, dat daarmee alle kosten worden verrekend welke niet vallen onder "direct materiaalverbruik" en "werk door derden" (onderaannemers). De calculatietarieven worden berekend op basis van een periodiek (meestal jaarlijks) op te stellen begroting. De tarieven per uur of andere prestatie-eenheid zijn inclusief alle lonen en onder meer de afschrijvingen en de rente over het in duur zame en vlottende activa geïnvesteerde vermogen.

1-3.1 Directe en indirecte kosten (6-2.1)

De kosten worden of rechtstreeks ten laste van een bepaalde order gebracht (directe kosten, zoals bijv. materiaalverbruik) of ten laste van een bepaalde kostenplaats (indirecte kosten). De kosten van de diverse kostenplaatsen worden aan de orders (resp. andere afdelingen) toegerekend op basis van de door deze kosten plaatsen geleverde prestatie (bijv. gewerkte uren). Hierbij wordt gebruik gemaakt van calculatietarieven (bijv. een bedrag per ge werkt uur).

1-3.2 Te onderscheiden calculatietarieven

In de richtlijnen worden bij de ordercalculatie de volgende soor ten calculatietarieven onderscheiden

Uurtarieven (6-4.5 en 6-4.6)

De orders worden belast op basis van de gewerkte uren tegen een uur tarief, dat afhankelijk is van de betrokken kostenplaats en de uit gevoerde bewerking. In deze uurtarieven zijn onder meer de lonen be grepen. In de meeste gevallen hebben deze gewerkte uren betrekking op perso nen ("manuur-tarieven"). Bij machinale arbeid dragen deze tarieven het karakter van "man-machine-uurtarieven". Geschiedt de tijdver antwoording evenwel op basis van de machinetijd, dan wordt gesproken van "machine-uurtarieven". Ten aanzien van de categorieën personen, welke al dan niet tijd op orders verantwoorden, is een bindende richtlijn vastgesteld (zie 6-4.5 en 4-1).

Opslagen op materiaalverbruik (6-4.3)

De kosten van inkoop en opslag van materialen worden aan de orders toegerekend door middel van opslagpercentages op de waarde van het materiaalverbruik. Daarbij dient men voor voorraadgoederen een ander percentage te hanteren dan voor bestemde goederen, waarbij wordt aanbevolen een verdere differentiatie naar materiaalgroepen aan te brengen.

Opslagen op kosten onderaannemers (6-4.4)

Van onderaannemers wordt gesproken, indien de betrokken werklieden onder het gezag en de verantwoordelijkheid van derden staan (in tegen stelling tot "geleenden", waarvan de kosten niet rechtstreeks ten laste van orders komen maar in de uurtarieven worden verrekend). Stichting Nederlandse Scheepsbouwindustrie 1-3

De kosten van onderaannemers zijn directe kosten. De aanwezigheid van onderaannemers veroorzaakt echter bepaalde - indirecte - kosten (toezicht, gebruik kantine enz.). Welke aan de orders worden toegerekend Via een opslagpercentage op de door de onderaannemers gefactureerde bedragen.

Tarieven exploitaties (6-4.7)

Onder "exploitaties" vallen hellingen, dokken, buitenkranen, alsmede havens, kaden en steigers. Voor de toerekening van de hieraan verbonden kosten gelden uniform te hanteren grondslagen, waarvan de tabel in 6-4.7 een overzicht geeft.

1-3.3 Berekening van de calculatietarieven

Ter berekening van de calculatietarieven wordt een jaarbegroting opgesteld, waarbij per kostenplaats de kosten en het aantal prestatie-eenheden (veelal gewerkte uren) worden begroot. Dit aantal prestatie-eenheden wordt in het onderstaande aangeduid met de term "begrote bezetting". De kosten van afdelingen welke geen "gemeten" prestaties ten behoeve van orders leveren, worden via verdeelsleutels toegerekend, uiteindelijk aan de kostenplaatsen welke genoemde prestaties wel leveren. Paragraaf 6-3.3 geeft een overzicht van de daarbij te hanteren verdeelsleutels.

Bezetting, vaste en variabele kosten (6-1)

Onder vaste kosten worden in de richtlijnen de kosten verstaan, welke verbonden zijn aan materiële productiemiddelen (gebouwen, machines, hellingen enz.). Zij worden niet verrekend op basis van de bovengenoemde begrote bezetting, maar op basis van de normale bezetting van de betrokken productiemiddelen. Hiermede wordt onder meer voorkomen dat ten onrechte onderbezettingsverliezen zouden worden ingecalculeerd. Kosten welke verbonden zijn aan "immateriële" productiemiddelen (beheersapparaat e.d.) worden aangeduid met de term "semi-variabele kosten" (in 6-1.3 wordt hiervan een specificatie gegeven). Zij worden verrekend op basis van de geprojecteerde bezetting, dit is het gemiddelde van de verwachte bezetting in een aantal toekomstige jaren. Indien deze echter te laag zou zijn om een verantwoorde benutting van het beheersapparaat e.d. te waarborgen, dan dient het bestaande kostensurplus op de begrote kosten in mindering te worden gebracht. De variabele kosten tenslotte worden uiteraard verrekend op basis van de begrote bezetting.

Afschrijving en interest (6-2.2 en 6-2.3)

In 6-2.4 worden indicaties gegeven omtrent toe te passen afschrijvingspercentages. Deze zijn derhalve niet bindend. Zij moeten worden genomen van de vervangingswaarde van de betrokken activa. Voor de berekening van de kostenfactor interest wordt een percentage van 7% voorgesteld, te nemen over het gemiddeld geinvesteerd vermogen in vaste activa (de helft van de vervangingswaarde), vrije voorraden, onderhandenwerk en debiteuren.

Desgewenst kan in het toegepaste percentage een differentiatie worden aangebracht (b.v. een hoger percentage voor vlottende middelen dan voor duurzame activa). Bij economisch verouderde vaste activa dient een lager bedrag aan afschrijving en interest te worden gecalculeerd, dan volgens bovenstaande richtlijnen. In principe dient het jaarlijks bedrag vastgesteld te worden door op de jaarlijkse afschrijving en interest van moderne activa (met een gelijke prestatie) de meerkosten van de oudere activa (lonen, onderhoud enz.) in mindering te brengen.

1 - 3.4 Vorm kostenbegroting (6 - 5; aanhangsels A en B)

Voor de begroting van de indirecte kosten worden geen standaardformulieren voorgeschreven. De richtlijnen beperken zich tot enkele beschouwingen en voorbeelden hieromtrent.

1 - 3.5 Calculatieformulier nieuwbouworders (deel 7)

Het in deel 7 opgenomen calculatieformulier voor nieuwbouworders is bindend voorgeschreven, ten aanzien van de samenvatting van de begroting. Dit formulier is gebaseerd op de uniforme indeling naar deelorders.


HOOFDSTUK 1 - 4 RESULTATEN ANALYSE BUDGETTERING VERSLAGLEGGING DELEN 89 en 10)

De administratie dient zodanig te worden ingericht, dat een analyse van het ondernemingsresultaat volgens de jaarrekening kan worden gemaakt naar onder meer:

• orderresultaten per order en groep van orders (opbrengst minus directe kosten minus toegerekende indirecte kosten);

• resultaten op kostenplaatsen (aan orders of andere kostenplaatsen toegerekende indirecte kosten minus werkelijke indirecte kosten). Een dergelijke administratie vormt de grondslag voor periodiek op te stellen interne verslagen aan de verantwoordelijke leiding.

1-4.1 Budgettering (deel 8)

Voor de resultaten per kostenplaats, zoals deze voortvloeien uit bovengenoemde analyse van het ondernemingsresultaat, zijn de betrokken functionarissen niet zonder meer verantwoordelijk te stellen. Onder meer kunnen de indelingen naar kostenplaatsen en verantwoordelijkheidscentra verschillend zijn en kunnen de kostenstandaards afwijken van de budgetnormen. Ten aanzien van de budgettering gelden geen bindende richtlijnen. Deel 8 beperkt zich tot vrijblijvende adviezen waarvan echter ter wille van de uniformiteit ook op dit terrein - de opvolging sterk wordt aanbevolen.

1-4.2 Verslaglegging (deel 9)

Omdat de verslaglegging binnen het bedrijf afgestemd zal moeten worden op de behoeften van de informatiegebruikers, hebben richtlijnen op dat terrein geen bindend karakter wat de details aangaat ten aanzien van vorm en inhoud der rapportering. Wel worden hieraan bepaalde minimumeisen gesteld en wordt met klem aanbevolen slechts van de in deel 9 geadviseerde systematiek af te wijken, indien daartoe dringende redenen aanwezig zijn. Aanhangsel C illustreert in een cijfervoorbeeld de aanbevolen vormgeving van afdelingsoverzichten.

1-4.3 Administratieve verwerking (deel 10)

De administratie dient de gegevens te verschaffen, waaruit de overzichten met betrekking tot resultatenanalyse en budgettering kunnen worden samengesteld. Daarvoor is onder meer een verantwoording nodig van:

• de directe kosten per order;

• de indirecte kosten naar kostensoorten en kostenplaatsen;

• de door de kostenplaatsen doorberekende kosten (aan orders resp. aan andere kostenplaatsen); men is daarbij vrij deze doorberekeningen al of niet inter-comptabel te verwerken. In deel 10 zijn uitvoerige beschouwingen gewijd aan de vastlegging van gegevens en de boekingsprocedures. Deze zijn bedoeld als leidraad voor de betrokken administratieve afdelingen, speciaal ten aanzien van bedrijven voor welke een dergelijke vorm van administratie nieuw is.


HOOFDSTUK 1-5 FASEGEWIJZE INVOERING

1-5.1 Geleidelijke invoering

Ondernemingen die de beoogde administratievorm uitmondend in een periodieke verslaglegging nog niet kennen, zullen in het algemeen slechts langs de weg van de geleidelijkheid tot realisatie daarvan kunnen komen. Dit wordt voornamelijk veroorzaakt door de tijd, die nodig is om de noodzakelijke samenwerking tussen "het bedrijf" en de administratie tot stand te brengen. Deze is nodig om de juiste basis, vorm en inhoud van de rapportering te vinden. De administratieve verantwoording is daarbij vergeleken een problematiek van secundair belang. De hieronder geschetste fasen gaan er vanuit dat niet gewacht wordt tot de organisatie "rijp" is voor dit soort verslaglegging, maar dat het mechanisme van de informatieverstrekking voorop kan lopen als één van de hulpmiddelen tot het kweken van begrip en waardering voor de doelstellingen en ter stimulering van een verbeterde ondernemingsplanning en normstelling. Met het "inschieten" van het administratieve apparaat kan uiteraard rekening worden gehouden door de frequentie van de verslaglegging in het begin laag te houden. Overigens zij vermeld dat de ervaring leert, dat de invoering van stelsels als bedoeld relatief snel kan verlopen. Belangrijke voorwaarden voor een succesvol en a tempo invoeren van een op kostenbewaking gerichte verslaglegging zijn in volgorde van belangrijkheid:

• de mate waarin de directie zich de invoering persoonlijk aantrekt en daadwerkelijk meewerkt aan het kwantificeren van toekomstplannen en het vaststellen van normen (de directie moet er achter staan);

• de medewerking door het gehele bedrijf aan het tot stand komen van prognoses en budgetten (budgettering alleen ontstaan uit "administratieve koker" draagt in hoge mate de mogelijkheid tot mislukken in zich);

• de binnen het administratieve apparaat aanwezige kennis van het bedrijf en administratieve know-how.

1-5.2 Invoeringsfasen

Globaal kunnen ten aanzien van de invoering van de uniforme admini stratie, calculatie en verslaglegging de volgende fasen onderscheiden worden. Deze fasen kunnen elkaar in de meeste gevallen in de tijd opvolgen, zoals in navolgend overzicht is aangegeven.

FasenWerkzaamhedenJaren
1e fase
2e fase
— administratieve voorbereiding
— opstellen begroting, voorgecalculeerde kostprijstarieven
1e jaar
3e fase
4e fase
— administratie op basis van voorgecalculeerde kostprijs tarieven
— invoeren verslaglegging
2e jaar
5e fase— toekennen van taakstellend karakter aan de kostenbudgettering3e jaar
verdere fasen— vervolmaking normstelling
— long-term planning
— uitbreiden budgettering tot andere elementen dan de kosten
4e en volgende jaren

De volgorde waarin de richtlijnen successievelijk zijn uitgebracht, loopt grotendeels parallel met hiervoorstaande fasering in de invoering. De 1e en 2e fase hebben in dat verband betrekking op het jaar 1969, de 3e en 4e fase op het jaar 1970.

1e fase: Administratieve voorbereiding

• Administratie van de werkelijke (primaire) kosten naar kostensoorten en naar kostenplaatsen.

• Aanpassen van de tijdverantwoording aan de nieuwe codering van kostenplaatsen en (eventueel) bewerkingen.

2e fase: Begroting, voorgecalculeerde kostprijs tarieven

• Overleg tussen topleiding, operationele leiding en administratie ter bepaling van de te begroten afzet en personeelssterkte, uitmondend in een prognose van de bedrijfsbezetting in uren.

• Vaststellen van de normale bezetting van machines en gebouwen (ter verrekening van de vaste kosten) en van de geprojecteerde bezetting (ter verrekening van de semi-variabele kosten).

• Verzamelen van historisch cijfermateriaal, teneinde tezamen met de leiding per bedrijfssector, te komen tot een begroting van de belangrijkste kostenposten.

• Verder uitwerken van begrotingen en voorcalculatorische kostenverdeelstaat, uitmondend in kostprijs tarieven per prestatieeenheid voor het komende jaar.

3e fase: Administratie op basis van voorgecalculeerde kostprijs tarieven

• Invoeren in de administratie van begrippen als "voorgecalculeerde rente en afschrijving", "interne doorberekeningen op basis van uren", "gecalculeerde sociale lasten" e.d.

• Aanpassen van de administratie van onderhanden werken (= de ordergewijze nacalculatie) aan het gewijzigde kostprijs systeem; invoering van de deelorderindeling voor nieuwe opdrachten in de nieuwbouwsector.

4e fase: Invoeren verslaglegging

• Invoeren van resultatenoverzichten per kostenplaats, waarbij in deze fase overwogen kan worden deze slechts op beperkte schaal te verspreiden. Wel dient zeker gestart te worden met de verslaglegging aan de topleiding omtrent het ondernemingsresultaat geanalyseerd naar resultaten per bedrijfssector en resultaten op orders.

• Invoeren van budgetoverzichten omtrent de indirecte kosten per kostenplaats. In het bedrijf moet duidelijk gemaakt worden dat het hier niet gaat om opgelegde budgetten", maar om het verschaffen van cijfers, teneinde in de toekomst tot taakstellende budgetten te kunnen geraken. (De inhoud van de overzichten kan in dit stadium als volgt vereenvoudigd worden: vooralsnog alleen de budgetresultaten presenteren, de herleiding tot het totaalresultaat weglaten; het niveau, waaraan gerapporteerd wordt, beperken tot de hogere leiding; op lagere niveaus vooralsnog veel aandacht besteden / aan de kwantitatieve verslaglegging omtrent uren, rendementen e.d. ("bedrijfssignalering"); alleen het loon voor orders variabel dekken.)

5e fase: Toekennen van taakstellend karakter aan de kostenbudgettering

• Opstellen van een bedrijfsbegroting, nu geheel op basis van een door de verantwoordelijke functionarissen aanvaarde taakstelling. Samenvatting van de detailgegevens door de administratie ten behoeve van goedkeuring door de topleiding, eventueel vooraf bijsturen, weer in overleg met de betrokkenen.

• "Vertaling" van de overeengekomen taakstelling in detailbudgetten per kostenplaats (o.a. rekening houdend met loon- en prijsontwikkelingen). Uitwerking van de budgetten voor de primaire kosten tot kostprijstarieven (verdeling algemene kosten e.d.).

• Aan het begin van de budgetperiode (het jaar meestal) ter inzage aan de bedrijfsleiding verstrekken van budgetcijfers en kostprijstarieven.

• Eventueel aanpassen van de administratie, in de zin van aanvullen en/of opsplitsen van kostenplaatsen (verantwoordelijkheidscentra).

• Opheffen van de in de vierde fase eventueel aangelegde beperkingen in de verslaglegging.

Latere fasen

• Op basis van opgedane ervaringskennis en specifiek daartoe ingestelde onderzoekingen, vervolmaking van de normstelling (bijvoorbeeld voor de kosten per prestatie-eenheid, de verhouding direct/ indirect en de benodigde uren per karwei).

• Globale meerjarenplanning van omzet, bezetting en kosten, waarbij de jaarbegroting gezien kan worden als een schakel - zij het een meer gedetailleerde - in een reeks van begrotingen voor de toekomst.

• Verdere uitbouw van de bedrijfsbegroting met elementen van voorraadbudgettering, kapitaalsinvesteringsbudgetten, verkoopbudgetten, liquiditeitsbudgetten en resultatenbudgetten per activiteit.

💬